Laatst nagekeken: 2026-10-26
Een buitenkraan hang je meestal op 50 tot 70 cm boven de grond, tegen een buitenmuur en bij voorkeur hoger dan het punt waar de leiding binnen aftakt, zodat ze kan leeglopen. Voor vorstbescherming kies je een vorstvrije gevelkraan of plaats je binnen een afsluitkraan met aftap. En omdat er een tuinslang op past, hoort er een terugstroombeveiliging op de kraan of ervoor.
Over de exacte hoogte bestaat geen vaste regel die we in een officiële tekst vonden. Bouwmarkt- en installateursadvies uit Vlaanderen zit tussen ongeveer 50 cm (voor een emmer of gieter) en minstens 70 cm. Hoger is handiger om te bukken. De cursus noemt 60 cm.
De planner start met een tapaansluiting op 600 mm, zoals de cursus. Dat is een standaardwaarde die je zelf aanpast in de instellingen of op het object.
Er zijn twee manieren. Meestal gebruik je een vorstvrije gevelkraan: de afsluiter zit enkele tientallen centimeters diep in de muur (bij gangbare modellen 15 tot 21 cm), in het warme deel. Na het sluiten loopt de kraan leeg naar buiten. Dat werkt enkel als de tuinslang is losgekoppeld, want anders blijft het water in de buis staan.
De tweede manier is een gewone dubbeldienstkraan met binnen een afsluitkraan met aftapkraantje. In de winter sluit je af en tap je de buitenleiding leeg. Een vorstvrije kraan boor je met een kleine helling naar boven, zodat water naar buiten loopt: fabrikanten vermelden ongeveer 2 graden.
Ook je verzekeraar raadt aan om buitenkraanleidingen leeg te laten lopen of vorstvrije kranen te plaatsen.
Een kraan met slangaansluiting is een risico: een tuinslang kan in een emmer, bad of vijver liggen en water kan terugzuigen naar het drinkwaternet. In de Belgaqua-voorschriften (gebaseerd op norm NBN EN 1717) valt zo'n kraan in de hoogste risicocategorie. Je gebruikt dus een kraan met ingebouwde beveiliging, zoals de beluchters met keerklep van vorstvrije modellen, of je plaatst vóór de kraan een controleerbare keerklep (type EA). Een kraan die Belgaqua heeft goedgekeurd, is geen probleem.
Los daarvan moet elke woning een centrale beveiliging hebben: een afsluitkraan met direct daarna een EA-keerklep, achter de watermeter. Die vervangt de beveiliging op de buitenkraan niet.
De buitenkraan is een object van de waterlaag voor koud water (16 mm, 150 x 150 mm). Hij staat altijd buiten, vlak tegen de buitenkant van een buitenmuur. Dat klikt vanzelf aan de muur zodra je dichtbij komt. De leiding gaat vanaf de collector rechtdoor achter de kraan door de muur en komt tot 1 meter verder binnen weer uit, meestal 30 cm in de kamer. Op die plek tekent de planner een oranje markering voor een doorboring, zodat je die in je lijst van boringen meetelt.
De planner rekent geen vorstbescherming of terugstroombeveiliging door. Dat bepaal je zelf bij het kiezen van de kraan.
Bij een vorstvrije kraan is dat niet verplicht, maar een afsluitkraan blijft handig voor onderhoud. Bij een gewone kraan is hij nodig om in de winter af te sluiten en leeg te tappen.
Sommige modellen laten dat beperkt toe (bijvoorbeeld tot 17 of 23 cm), andere hoeven niet ingekort te worden. Lees de handleiding van het model. Je moet ook de minimale muurdikte respecteren, bijvoorbeeld vanaf 150 à 200 mm.
Ja. Bij vorstvrije kranen kan het water enkel weglopen als de slang of sproeicomputer is afgekoppeld.
Een kraan op regenwater is een apart circuit en mag nooit met drinkwater verbonden zijn. In de planner geef je die kraan daarom een regenwatercollector.
Dit is informatief en vervangt de installateur of de keuring door de watermaatschappij niet.
Open de planner