Laatst nagekeken: 2026-10-27
Leg als loze leiding meestal een gegolfde buis van 25 mm met trekdraad, gescheiden van de 230 V-kabels. Zo kan je later één tot drie netwerkkabels trekken zonder muren open te breken. Leg ze nu: tijdens de verbouwing is een buis snel gelegd, achteraf moet je een sleuf of een nieuwe boorgang maken.
Denk in trajecten vanuit de plek waar je netwerkkast komt (zie waar je de netwerkkast plaatst). Handige bestemmingen:
Een loze leiding is geen garantie dat een toekomstig toestel ermee werkt, maar het houdt de weg open. Een reserve naar een centrale plek per verdieping is bijna altijd nuttig.
Kies 25 mm als standaard. Een gegolfde buis van 25 mm heeft in de technische fiches die we lazen een buitendiameter van 25 mm en een binnendiameter van ongeveer 18 mm (18,2 mm). Een UTP-netwerkkabel is meestal 6 tot 8 mm dik, en je vult een buis best niet meer dan 40 procent als er drie of meer kabels in zitten. Dat geeft een ruwe schatting van twee tot drie kabels in 25 mm.
Een buis van 20 mm is krap voor meer dan één kabel; 32 mm kies je voor hoofdtrajecten waar later veel kabels samen heen moeten, bijvoorbeeld van de netwerkkast naar de zolder. Dat laatste is onze eigen afweging, geen norm.
Wil je later ook 10 Gbit/s? Dat vraagt over lange trajecten (tot 100 m) Cat6a, een dikkere kabel; Cat6 haalt dat volgens ID.nl alleen onder ongeveer 55 m. Lees welke netwerkkabel je kiest voor je de buis kiest.
Voor de binnenmuur is de gegolfde buis (ICTA, polypropyleen) de gewone keuze: ze is buigzaam en weerstaat een druk van 750 N. Sommige types zijn aan de binnenkant voorgesmeerd en die trekken makkelijker. Kies er een met trekdraad: je kan er een kabel aan trekken zonder eerst een trekveer te moeten zoeken.
Bevestig een kabel nooit rechtstreeks aan de dunne trekdraad die al in een buis zit: die kan breken. Gebruik een trekveer, of trek eerst een sterker touw door.
Houd de buis zo recht mogelijk. Als vuistregel uit de Amerikaanse norm voor kabelgoten (ANSI/TIA-569) mag een traject tussen twee trekpunten niet meer dan twee bochten van 90 graden hebben. Maak elke bocht ruim: voor buizen tot 2 inch is dat zes keer de binnendiameter. Bij 25 mm betekent dat een straal van rond 11 cm. Zet bij een lang traject of veel bochten een inspectiedoos.
Een UTP-kabel zelf mag je niet scherper plooien dan ongeveer vier keer zijn dikte, en trek er niet harder aan dan ongeveer 110 N (25 lbf), anders beschadig je de aders. Dit zijn Amerikaanse richtlijnen, geen Belgisch voorschrift.
Liever niet. Het AREI zegt dat energiegeleiders en telecommunicatiegeleiders niet naast elkaar mogen komen zonder scherm ertussen, behalve wanneer beide kabels zijn (afdeling 4.5.4). Een andere afdeling vraagt ook voldoende scheiding tussen telecommunicatiekabels en andere leidingen (afdeling 3.3.3). Netwerkkabels leg je dus best in een eigen buis en eigen doos, gescheiden van de stroomkabels. Het gaat om veiligheid en om storing op je netwerk.
Voor de precieze afstanden in jouw situatie vraag je de installateur of de keuringsinstelling.
De planner kent geen buizen als object, maar wel schachten. Teken je een schacht tussen twee verdiepingen, dan loopt de kabelroute van het access point naar de router erdoor en telt de hoogte mee in de lengte. Een kabel mag volgens de standaardinstelling 90 m lang zijn, met 500 mm reserve per uiteinde en 10 procent marge. De ethernetlimiet is 100 m. Je kan de plek van je buizen dus vooraf controleren met je kabelroutes.
20 mm volstaat voor één kabel, maar is krap als je later een tweede wil. 25 mm is de veilige standaard.
Ruwweg twee tot drie UTP-kabels, afhankelijk van hun dikte en het aantal bochten. Reken liever op minder.
Ja, of een geschikte trekveer bij de hand hebben. Een buis met ingebouwde trekdraad is het gemakkelijkst.
Sommige gegolfde buizen zijn UV-bestendig, maar of jouw buis geschikt is voor buiten of ondergronds, controleer je op de fiche. Buiten vraag je best advies aan je installateur.
Dit is informatief en vervangt de installateur of de keuring door een erkend organisme niet.
Open de planner